Het Schicksalslied

Het Schicksalslied is een korte krachtige compositie voor koor en orkest geschreven door Johannes Brahms tussen 1868 en 1871.
De tekst is afkomstig van het gedicht Hyperions Schicksalslied van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin, dat oorspronkelijk deel uitmaakt van de roman Hyperion.
Hölderlin plaatst de ‘selige Genien’, de beschermende geesten van de mensheid, hoog in de hemel; ze zijn niet ondergeschikt aan het lot. De ‘lijdende mensen’ daarentegen zijn willoos overgeleverd aan de grillen daarvan. Hij vertelt enerzijds van de schoonheid van de natuur waarin wij mensen mogen dwalen en leven, maar ook van de tegenkant van dit geluk waar de mensen angstig en geblinddoekt door het lot onverschillig heen en weer wordt gesmeten zoals golven die op de kust te pletter slaan.
Brahms was geboeid door het dynamische contrast, ook in muzikaal opzicht, tussen de eerste twee strofen en de derde. De gelukzaligheid van de goden krijgt in Brahms’ compositie een passende verklanking. Het lot van de arme mensen die maar tussen de klippen heen en weer worden geworpen, verbeeldt Brahms met felle en gejaagde klanken.
Het Schicksalslied van Brahms wordt beschouwd als één van zijn beste koorwerken samen met zijn Deutsches Requiem. Brahms is overigens niet de enige componist die de poëzie van Hölderlin in noten heeft ‘vertaald’: ook Robert Schumann, Richard Strauss, Max Reger, Paul Hindemith, Bruno Maderna en Luigo Nono lieten zich door zijn gedichten inspireren.
Het werk van Hölderlin (1770-1843) behoort tot de hoogtepunten van de Duitse Romantiek. De hypergevoelige romanticus, doodongelukkig om een onmogelijke liefde, schreef bij nacht en ontij. Wie eenmaal zijn hymnen en gezangen gelezen heeft, is voor altijd verloren. Hij paste Griekse versvormen toe in het Duits, vermengde christelijke theologie met antieke mythologie en verwijst zo bijna visionair naar de kwalen en dreigingen van onze hedendaagse beschaving.
Zie ook: https://www.athenaeum.nl/leesfragmenten/archief/2011/als-water-van-rotsklip-tot-rotsklip-geworpen-bij-friedrich-hoelderlins-gedichten/

Het Schicksalslied Johannes Brahms
Ihr wandelt droben im Licht
auf weichem Bodem, selige Genien!
Glanzende Götterlüfte rühren Euch leicht
wie die Finger der Künstlerin heilige Saiten.

Schicksallos, wie der schlafende Säugling,
atmen die Himmlischen;
keusch bewahrt in bescheidener Knospe,
blühet ewig ihnen der Geist,
und die seligen Augen blicken
in stiller ewiger Klarheit.

Doch uns ist gegeben, auf keiner Stätte zu ruhn;
es schwinden, es fallen die leidenden Menschen,
blindlings von einer Stunde zur andern,
wie Wasser von Klippe Zu Klippe geworfen
jahrlang ins Ungewisse hinab.

Gij wandelt boven in het licht
op zachte grond, gelukzalige genieën!
Glanzende godenluchten beroeren u licht,
Als de vingers van de kunstenares de heilige snaren.

Vrij van het lot, als de slapende zuigeling,
ademen de hemelingen;
kuis bewaard in bescheiden knop
bloeit eeuwig hun geest,
en hun zalige ogen staren
in stille eeuwige klaarheid.

Maar ons is gegeven geen rustplaats te vinden,
zij vergaan, zij vallen, de lijdende mensen,
blindelings van het ene uur in het andere,
als water van rots tot rots verstoven,
jarenlang in het ongewisse omlaag.

Vertaling: Kester Freriks