Nänie (Opus 82)

Het Latijnse woord Nenia betekent treurdicht, lijkzang en werd traditioneel gezongen door de ouders en bloedverwanten van jong gestorvenen.
Johannes Brahms componeerde zijn Nänie in 1880/ 1881. Directe aanleiding was de dood van zijn vriend, de kunstschilder Anselm Feuerbach (1829-1880).
Als tekst gebruikte Brahms het gedicht Nänie van Friedrich Schiller (1759-1805), dat in mythologische beelden de vergankelijkheid betreurt van alles wat mooi is: Auch das Schöne muß sterben: Al het schone is vergankelijk en de goden staan hier machteloos tegenover.
In volle acceptatie en stralende majeurtoonsoorten wordt deze werkelijkheid met de woorden van Schiller bezongen: Maar het einde geeft troost: hoe heerlijk moet het zijn je beklaagd te weten door de stem van je geliefde…
De tekst refereert aan drie mythologische karakters: Euridice, Adonis en Achilles: allen mooi, jong en onnodig vroeg gestorven. De overlevenden, Orpheus, Aphrodite en Thetis, voelen zich schuldig door hun passieve rol bij de dood van hun geliefden. De namen van de jong overledenen komen in het gedicht niet voor, het gaat over de treurende nabestaanden.
Dit zou kunnen betekenen dat Brahms door de keuze van dit gedicht de compositie opgedragen heeft aan de moeder van Feuerbach en niet aan zijn overleden vriend.
Nänie is niet dramatisch maar helder en vriendelijk van klank, er spreekt bewondering uit voor zijn vriend en kunstenaar. In de muziek zit een mild en positief perspectief voor de nabestaanden, vanuit klagen bloeien prachtige klanken op als een hulde aan de kunst.
Nänie, dat in december 1881 voor het eerst werd uitgevoerd in Zürich en snel daarna op vele andere plaatsen, zoals in 1882 in Wenen, wordt nog altijd gezien als één van de belangrijkste composities van Brahms.

Nänie Johannes Brahms
Auch das Schöne muß sterben!
Das Menschen und Götter bezwinget.
Nicht die eherne Brust rührt es
des stygischen Zeus.
Einmal nur erweichte die Liebe
den Schattenbeherrscher.
Und an der Schwelle noch, streng,
rief er zurück sein Geschenk.
Nicht stillt Aphrodite
dem schönen Knaben die Wunde,
Die in den zierlichen Leib
grausam der Eber geritzt.
Nicht errettet den göttlichen Held
die unsterbliche Mutter,
Wann er, am skäischen Tor fallend,
sein Schicksal erfüllt.
Aber sie steigt aus dem Meer
mit allen Töchtern des Nereus,
Und die Klage hebt an
um den verherrlichten Sohn.
Siehe, da weinen die Götter,
es weinen die Göttinnen alle.
Daß das Schöne vergeht,
daß das Vollkommene stirbt.
Auch ein Klaglied zu sein im Mund der Geliebten
ist herrlich,
Denn das Gemeine geht klanglos
zum Orkus hinab.
Ook het schone moet sterven,
dat mensen en goden beteugelt!
Niet de ijzeren inborst beroert het
van de Zeus van de Styx.
Eenmaal slechts verzachtte de liefde
de schaduwbewaker,
Maar op de drempel nog, streng,
riep hij zijn geschenk tot zich terug.
Niet stelpt Aphrodite
de wond van de schone jongeling,
Wreedaardig in het sierlijke lichaam
gereten door het everzwijn.
Niet redt de onsterfelijke moeder
de goddelijke held,
Wanneer hij, vallend voor Trojes poort,
zijn noodlot vervult.
Maar zij stijgt op uit de zee
met alle dochters van Nereus,
En heft de klaagzang aan
om de verheerlijkte zoon.
Zie, daar rouwen de goden;
de godinnen, zij allen rouwen,
Dat het schone vergaat,
dat het volmaakte sterft.
Ook een klaagzang te zijn in de mond van
geliefden is heerlijk,
Want het gewone daalt toonloos
tot Orcus omlaag.

[Friedrich Schiller]