Georg Friedrich Händel was een Duitse barokcomponist die een groot deel van zijn carrière in Engeland doorbracht. Hij werd geboren in Halle op 23 februari 1685 en overleed in Londen op 14 april 1759. Hij is vooral bekend om zijn oratoria, waaronder het beroemde “Messiah,” en opera’s zoals “Semele”, “Giulio Cesare” en “Rinaldo.” Händels muziek staat bekend om zijn krachtige koorwerken, meesterlijke orkestratie en emotionele expressie, en heeft een blijvende invloed gehad op de klassieke muziek.
Over de jeugd van Händel gaan allerlei waarschijnlijk lichtelijk overdreven anekdotes rond, bijvoorbeeld over de listigheid waarmee hij in stilte muziek studeerde, omdat zijn vader daar tegen zou zijn. Händels vader was als lijfchirurg in dienst van de hertog van Saksen-Weissenfels. Een geloofwaardig verhaal vertelt dat toen de jonge Händel – zeven of acht jaar oud – met zijn vader meeging bij een van zijn bezoeken aan het hof, de hertog zo onder de indruk was van Händels orgelspel dat hij de vader op het hart drukte dit grote talent niet te laten verkommeren. Die stond toe dat zijn zoon een muziekleraar kreeg: Friedrich Wilhelm Zachow, een vooraanstaande musicus in Halle, een voortreffelijk organist en componist, en goed ingevoerd in de verschillende muziekstijlen. Na zijn gymnasiumopleiding schreef Händel zich op 10 februari 1702 in aan de universiteit van Halle, waarschijnlijk voor een rechtenstudie. Dat was een wens geweest van zijn in 1697 overleden vader; als zestienjarige kon hij zich daaraan niet onttrekken. Uit die tijd stamt ook zijn levenslange vriendschap met de componist Georg Philipp Telemann (1681-1767). Telemann was in 1702 benoemd tot artistiek leider van een klein operatheater in Leipzig (niet ver van Halle). Ongetwijfeld heeft Händel daar voorstellingen bijgewoond. In maart 1702 werd Händel voor een jaar benoemd tot organist van de Domkerk.
Halle werd hem te beklemmend. Na zijn contractjaar vertrok hij in de zomer van 1703 naar de dynamische havenstad Hamburg. Daar bestond een bloeiend, commercieel operatheater. Händel werd in dienst genomen als tweede violist en klom op naar de positie van klavecinist. De vier jaar oudere Mattheson, zanger en componist bij de opera, schreef later dat Händel zijn neiging tot droge humor etaleerde en zich gedroeg ‘als iemand die niet tot vijf kon tellen’. In een beroemd geworden incident kwamen ook Händels onverzettelijkheid en opvliegende aard naar voren. Toen Händel vanaf het klavecimbel de opera Cleopatra van Mattheson leidde, wilde de componist, die zelf de rol van Antonius zong, het laatste half uur deze taak van hem overnemen, omdat hij toch niet meer hoefde op te treden. Händel weigerde. Buiten het operatheater raakten ze slaags met elkaar in een degengevecht, wat goed afliep omdat de degen van Mattheson afketste op een knoop van Händels jas. Ze bleven vrienden van elkaar. In Hamburg componeerde Händel drie opera’s: Almira, Nero en Florindo & Dafne. Alleen van Almira, die veel succes had, is een partituur bewaard gebleven.
Een Toscaanse prins die Hamburg bezocht, probeerde Händel over te halen om zich in Italië vertrouwd te maken met de muziek in dat land. Händel hield de boot nog af, maar in de loop van 1706 ondernam hij de reis, zelfstandig en op eigen kosten, en kwam in het najaar aan in Florence. Vandaar reisde hij naar Rome, waar hij voor verschillende opdrachtgevers rond tachtig cantates en verschillende grotere werken componeerde. Eind 1709 triomfeerde Händel in Venetië met zijn opera Agrippina, zijn eerste meesterwerk in dit genre. In februari 1710 vertrok Händel uit Venetië. Een kapelmeesterschap aan een van de grote Duitse vorstenhoven lag nu binnen bereik.
Hofkapelmeester in Hannover
Aan het hof van de keurvorst van Hannover was een toppositie als kapelmeester vacant en die gold als een prestigieuze post. Händel nam de benoeming aan op voorwaarde dat hij een reis kon maken naar Engeland. Dit werd hem toegestaan. Het Engelse parlement had het Huis van Hannover aangewezen voor de troonopvolging, als (na het overlijden van koningin Anne) er geen protestantse troonopvolger was in de directe lijn. Misschien zag de keurvorst de voordelen van Händels wens om naar Engeland te gaan. En Händel had waarschijnlijk een uitnodiging van Engelse aristocraten op zak. In het najaar van 1710 arriveerde hij in Londen. Direct knoopte hij belangrijke relaties aan en op 24 februari 1711 lanceerde hij zijn opera Rinaldo in het Queen’s Theatre, met veel succes. In juni keerde hij terug naar Hannover. Daar had hij, zonder een operatheater, weinig omhanden. Hij hield zijn blik gericht op Engeland en leerde Engels. Weer kreeg hij toestemming naar Engeland te reizen, mits hij ‘binnen een redelijke termijn’ zou terugkeren. Hij burgerde er snel in en van een tijdige terugkeer kwam het niet. En wat vooral een rol ging spelen was dat hij opdrachten aannam van koningin Anne. Zijn ontslag bij de keurvorst was onvermijdelijk, maar dit werd vriendelijk afgewikkeld: Händel was beslist niet in ongenade gevallen. Op 1 augustus 1714 overleed koningin Anne. In september arriveerde de keurvorst in Londen als haar opvolger: George I.
Tussen 1712 en 1715 componeerde Händel in Londen vier Italiaanse opera’s. Na de laatste van dit viertal, de redelijk succesvolle Amadigi di Gaula (1715), bleek de productie van opera’s in het Queen’s Theatre (inmiddels King’s Theatre) financieel niet langer vol te houden. Het wachten was op een initiatief met een grote kapitaalinjectie. In 1717 nam hij het aanbod aan van de schatrijke graaf van Carnarvon om als huiscomponist zijn intrek te nemen in zijn paleis Cannons, even buiten Londen. In de zomer van datzelfde jaar besloot de koning, niet erg geliefd en verwikkeld in een zwaar conflict met zijn zoon, dat hij iets moest doen aan zijn public relations. Hij gaf de opdracht om een feestelijk concert op de Theems te organiseren, waarbij hijzelf in een sloep aanwezig zou zijn. De organisator gaf Händel de opdracht om de muziek te verzorgen. Op 17 juli voerde hij met vijftig instrumentalisten zijn Water Music uit. Met doorslaand succes, ook bij de koning. Het vaak vertelde verhaal dat de Water Music een opzetje was van Händel om de koning tot een verzoening te bewegen is onjuist – er was immers geen sprake van een onderlinge breuk – maar dat hij de opdracht aangreep om zijn goodwill bij de koning te vergroten, is aannemelijk.
In februari 1719 was het dan zover: een groep aristocraten richtten een opera-onderneming op, die de Royal Academy of Music ging heten. De koning stond formeel aan het hoofd van de Academy en verleende een jaarlijkse bijdrage van 1000 pond (in huidige Euro’s ongeveer twee ton). Maar de Academy was een vennootschap, geen hofopera. Het kapitaal werd bijeengebracht door middel van jaarlijkse individuele bijdragen van tenminste 200 pond. Het dagelijks bestuur werd uitgeoefend door een college van directeuren. Händel werd aangesteld als artistiek leider (‘Master of the Orchestra’), met een salaris. Naast hem werd als tweede componist van opera’s de Italiaan Giovanni Bononcini benoemd, een man met veel aanzien. In mei kreeg Händel de machtiging om zangers te werven. Volgens de instructie die hij meekreeg, moest hij in elk geval de befaamde castraatzanger Francesco Bernardi contracteren, vanwege zijn afkomst uit Sienna bekend onder de naam ‘Senesino’. Zijn reisdoel was Dresden, waar in die zomer alle vooraanstaande zangers aanwezig waren vanwege het huwelijk van de kroonprins van Saksen met de dochter van de Oostenrijkse keizer. Uiteindelijk lukte het om de zaken rond te krijgen. Senesino werd binnengehaald met een jaarsalaris van 2000 pond (vier ton in huidige Euro’s). De Academy was eerst heel succesvol en Händel componeerde verschillende meesterwerken, zoals Giulio Cesare in Egitto (1724) en Rodelinda (1725). In latere jaren kwam de onderneming in problemen, vooral vanwege het overambitieuze beleid van de directie. Naast Senesino werden nog twee topzangeressen aangetrokken tegen zeer hoge gages, die de draagkracht van het bedrijf te boven gingen. Bovendien wakkerde het optreden van twee prima donna’s extreem fangedrag aan. Bij sommige voorstellingen begon het publiek de zang van de favoriete zangeres van de ‘tegenpartij’ te verstoren. Een voorstelling moest zelfs voortijdig worden afgebroken. En tenslotte: in januari 1728 werd in Londen The Beggar’s Opera gelanceerd, een scherpe satire op de politiek, de corruptie en de ‘goede smaak’ van de aristocratie, en ook op de Italiaanse opera. De tekst was geschreven door John Gay, met wie Händel nog had samengewerkt in Cannons. Dit stuk, met veel volkswijsjes in de muziek, was een fenomenaal succes. In juni 1728 moest de opera sluiten; er werd geen nieuw seizoen aangekondigd.
Begin 1729 kwam de directie toch nog bijeen en besloot toen Händel toestemming te geven om vijf jaar lang zelf met opera’s verder te gaan en hem daartoe alle decorstukken, kostuums, toneelmachines e.d. in leen te geven. In feite betekende dit besluit dat Händel en zijn zakelijk manager de Academy konden runnen als hun eigen operabedrijf. Ongetwijfeld bood een aantal investeerders financiële ruggensteun. Händel ondernam een reis naar Italië om zangsolisten te werven. Op de terugweg reisde hij via Halle, waar hij zijn moeder bezocht die ernstig ziek was. Hier sprak hij Wilhelm Friedemann Bach, de oudste zoon van Johann Sebastian. Op diens uitnodiging om in Leipzig zijn vader te ontmoeten ging Händel, vanwege de gezondheidstoestand van zijn moeder, niet in. De nieuwe periode als zelfstandig ‘opera-ondernemer’ was voor Händel artistiek bijzonder vruchtbaar. Hij experimenteerde volop, maar daar kon zijn publiek hem niet altijd in volgen. Met een experiment in een andere richting, het Engelstalige oratorium gebaseerd op Bijbelverhalen, had hij wel succes. In 1732 en 1733 componeerde hij er drie, eigenlijk doortastend reagerend op toeval. Voorlopig bleef het hierbij, maar hij had de basis gelegd voor een nieuw muziekdramatisch concept.
In 1732 besloot een groep aristocraten dat Händels hegemonie in het operadomein maar eens uitgedaagd moest worden. Een nieuwe opera-onderneming werd opgericht en uitnodigingen gingen uit naar zangsolisten, onder wie de befaamde castraatzanger Farinelli. De operacomponist Nicola Porpora werd aangesteld als muzikaal leider. In 1733 stond de zaak op poten. Bijna alle zangers en zangeressen van Händel liepen naar de nieuwe onderneming over, voorop Senesino (na dertien jaar dienst). Händel moest alle zeilen bijzetten. In 1735 bracht hij twee sublieme opera’s uit: Ariodante en Alcina. Händel-fan en straatgenoot Mary Delany schreef in een brief aan haar moeder op 12 april:
[…] naar Mr. Händels huis om de eerste repetitie bij te wonen van de nieuwe opera Alcina. Ik denk dat het de beste is die hij ooit heeft gecomponeerd, maar dat heb ik van zovele gedacht dat ik niet zal zeggen het is de mooiste, maar het is zo mooi dat ik geen woorden heb om het te beschrijven […] Terwijl Mr. Händel bezig was, kon ik het niet helpen hem te zien als een geestenbezweerder te midden van zijn eigen tovenarijen.
Het lukte Händel om de concurrentie op de knieën te krijgen, al ging dit ten koste van een groot financieel verlies. Medio april 1737 kreeg Händel plotseling uitvalsverschijnselen in zijn rechterhand. Ook leken zijn geestelijke vermogens soms te zijn aangetast. Veelal wordt aangegeven dat Händel een beroerte kreeg. De stress van een enorme werkdruk zal zeker zijn tol hebben geëist. In de recente literatuur wordt de mogelijkheid van loodvergiftiging genoemd. In september vertrok Händel naar Aken om in de thermische baden te kuren. Na zes weken was hij volledig hersteld. Als loodvergiftiging inderdaad de oorzaak was, zullen de baden en vooral het dieet – van ver geïmporteerde wijnen waren niet toegestaan – als een effectieve detox hebben gefunctioneerd. In november was hij terug in Londen.
Hierna componeerde Händel nog vier Italiaanse opera’s die geen van alle succes hadden. Maar in januari 1739 lanceerde hij zijn eerste grote dramatische oratorium: Saul, een meesterwerk van de buitencategorie. Händel had kennisgemaakt met een voortreffelijk tekstdichter, Charles Jennens. Zijn libretto moet hem bijzonder hebben geïnspireerd. Saul werd goed ontvangen. In 1741 zette Händel een streep onder de Italiaanse opera. Toen kwam er een uitnodiging uit Ierland om concerten te verzorgen voor charitatieve doelen. Händel zag nieuwe kansen en componeerde Messiah, opnieuw op een tekst van Jennens. Het ging in Dublin in april 1742 in première en werd geestdriftig ontvangen. Terug in Londen kreeg Messiah echter een koele ontvangst. Er waren controverses over het uitvoeren in een concertzaal van een werk gewijd aan het leven van Christus. De zegetocht van Messiah begon pas in 1749. Met zijn nieuwe oratorium Samson had Händel veel meer succes. Daarna ging het met vallen en opstaan. Dit was mede te wijten aan het feit dat Händel soms de oratoriumvorm gebruikte om een niet-Bijbels plot als een nieuw type opera uit te brengen. Dat wekte de woede van aristocraten die een nieuwe onderneming voor Italiaanse opera ondersteunden. Uiteindelijk triomfeerde Händel met zijn oratorium Judas Maccabaeus (1747) over de succesvolle strijd van de Israëlieten tegen een invasieleger uit Syrië. In het jaar daarvoor hadden de Britten een invasieleger van de katholieke troonpretendent prins Charles Stuart verslagen. Dat hielp aanzienlijk bij het succes.
Begin augustus 1750 ondernam Händel een reis naar Nederland. Kort voor zijn vertrek uit Londen overleed in Leipzig zijn geboortejaargenoot Johann Sebastian Bach. Op 21 augustus verscheen een bericht in The General Advertiser over een ongeluk dat Händel had gehad, toen zijn koets omsloeg onderweg van Den Haag naar Haarlem. Zijn letsel kan niet al te ernstig zijn geweest, want op 27 augustus bezocht hij Haarlem, bezichtigde de Grote Kerk, ontmoette de organist Radeker en vroeg hem het orgel te bespelen. Hij bespeelde het echter niet zelf, wat toch wijst op verwondingen. Op 8 september gaf Händel een orgelconcert in de Grote Kerk in Deventer, waarbij ook het stadhouderlijk paar aanwezig was. Mogelijk reisde hij daarna verder naar Duitsland, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen gevonden. Op 3 december concerteerde hij in de Nieuwe Kerk in Den Haag. Op 7 december gaf hij een privé-concert voor de stadhouderlijke familie. Een dag later reisde hij naar Londen terug.
Tijdens zijn werk aan het oratorium Jephta kreeg Händel last van zijn ogen. De autograaf van dit werk is hiervan een tragische getuigenis: in het tweede deel verliest het handschrift zijn gewone vastheid en bij het slotkoor van dat deel staat de aantekening: ‘Tot hier gekomen op 13 februari 1751 verhinderd door verzwakt zicht van mijn linkeroog’. Langzaam en met grote moeite voltooide de anders zo snelle schrijver het werk. Aan het eind van dat jaar was hij aan één oog blind en een jaar later viel ook het gezichtsvermogen uit van zijn rechteroog. Na een tijd van grote neerslachtigheid vond hij zijn energie weer terug en begon hij uit het hoofd zijn orgelconcerten uit te voeren. Later vulde hij zijn partijen improviserend in. Het einde kwam plotseling en onverwacht. Händels laatste oratoriumseizoen was begonnen op 2 maart 1759 met Solomon. Na de slotuitvoering op vrijdag 6 april met de Messiah, waarbij hij aanwezig was en aan de uitvoering deelnam, had hij het plan naar Bath te vertrekken om de baden te nemen, maar was daar niet meer toe in staat. Op vrijdag 13 april, Goede Vrijdag, de dag waarop hij hoopte te overlijden, nam hij van zijn vrienden afscheid. Händel stierf een dag later, op zaterdagochtend om acht uur.
Händel werd begraven in de Westminster Abbey in Londen, waar zijn graf en grafmonument te bezichtigen zijn.
Andrew Edwards, auteur van “De opera’s van Händel: Klankbeelden van de ziel”.